Na meer dan acht jaar aan het hoofd van de Amerikaanse Federal Reserve heeft Jerome Powell op 26 april zijn laatste vergadering van het monetairbeleidscomité geleid. Na afloop daarvan nam hij voor de laatste keer het woord tijdens de traditionele persconferentie, waar iedere belegger de oren voor spitst. Hij bracht zijn boodschap met de rust en kunde die we van de Princeton-alumnus kunnen verwachten, maar achter die façade waren tekenen zichtbaar dat de wissel van de wacht aan het hoofd van de machtigste centrale bank ter wereld minder geruisloos verloopt dan gewoonlijk. Dat stelt Enguerrand Artaz, strategisch analist bij La Financière de l’Échiquier (LFDE).
![]() Enguerrand Artaz |
Ironisch genoeg eindigde de laatste vergadering van Jerome Powell – algemeen gezien als een consensuszoeker – met het hoogste aantal dissidente stemmen sinds de jaren 1990. Er was het gebruikelijke verzet van de door Donald Trump benoemde Stephen Miran, die tegen het behoud van de status quo in het rentebeleid was en voor een renteverlaging met 25 bp pleitte. Ook drie andere bestuurders maakten echter bezwaar, in tegenovergestelde zin. Beth Hammack, Neel Kashkari en Lorie Logan steunden weliswaar het besluit om de rente ongemoeid te laten, maar waren het er niet mee eens dat in het persbericht van het FOMC nog steeds een verruiming in het vooruitzicht werd gesteld. Die dubbele breuk symboliseert de twee tegengestelde krachten waaraan de Fed onderhevig is en die Kevin Warsh als toekomstig voorzitter zal moeten proberen te verzoenen.
Aan de ene kant vertaalt het bijna obsessieve pleidooi van Donald Trump voor een verlaging van de richtrente door de centrale bank zich in het extreem verruimende standpunt van zijn zetbaas Stephen Miran. Aan de andere kant laat de economische realiteit in de VS steeds minder ruimte voor een dergelijke koers. De kerninflatie, gemeten volgens de PCE, de maatstaf die de Fed gebruikt, bedraagt 3,2% en is dus een flink stuk hoger dan het streefdoel van de centrale bank. Dat cijfer is weliswaar nog deels toe te schrijven aan de hogere invoerheffingen, die met vertraging doorwerken in de inflatie en waarvan het effect de komende maanden zou moeten wegebben, maar houdt nog geen rekening met mogelijke tweederonde-effecten door de situatie in het Midden-Oosten. Met die andere component van het mandaat van de Fed, de werkgelegenheid, gaat het aanzienlijk beter. De jongste cijfers en de herziene data over 2025 staven de stelling dat de Amerikaanse arbeidsmarkt afgelopen zomer een dieptepunt heeft bereikt en nu aan het begin van een opwaartse trend staat.
Die context vraagt uiteraard niet om een verkrapping van het monetaire beleid, want de reële rente in de Verenigde Staten is al hoog, maar rechtvaardigt evenmin de forse renteverlagingen waar Donald Trump onophoudelijk op aandringt. Dat brengt ons bij wat de komende maanden wel eens dé hamvraag voor de Fed zou kunnen worden: hoe is het gesteld met haar onafhankelijkheid? Jerome Powell, die zich altijd de rol van voorvechter van de autonomie van de Fed heeft aangemeten, toonde zich in het slot van zijn allerlaatste persconferentie tamelijk bezorgd en hield een pleidooi voor de onafhankelijkheid van de centrale bank, die naar zijn mening vandaag "in gevaar" is.
Hij legde de bal ook meteen in het kamp van zijn opvolger, die tijdens zijn hoorzitting in de Senaat stellig verklaarde dat hij zich niet zou laten beïnvloeden door de bewoner van het Witte Huis. Op die manier maakte hij Kevin Warsh duidelijk dat hij hem wel "op zijn woord gelooft", maar niettemin aan de rem zal trekken als die in de verleiding zou komen om de presidentiële instructies blindelings uit te voeren en de economische realiteit te ontkennen. Kortom, Jerome Powell heeft zijn laatste toespraak als voorzitter van de Fed gehouden, maar misschien nog niet zijn laatste zegje gedaan.