Geen gaspaniek, maar klaar zijn we niet

Hebben we niets geleerd van 2022? De gasopslagen in Nederland zijn leeg en we zijn voor ons gas alweer afhankelijk van het buitenland. Paniekscenario’s doen de ronde. Maar het kabinet heeft gewoon gelijk: geen gaspaniek. Al blijft er nog wel werk aan de winkel.

Marieke blom
Marieke Blom
De spanning op de energiemarkten loopt opnieuw op. De verstoring van LNG‑stromen vanuit de Golfstaten en stijgende gasprijzen zorgen voor onrust. In Nederland heerst al snel het gevoel dat we terug zijn bij af, dat we sinds 2022 weinig hebben geleerd en dat een nieuwe crisis zich aandient. Maar Europa en Nederland staan er in 2026 fundamenteel beter voor dan vier jaar geleden. Er zijn zeker zeven redenen om de kalmte te bewaren.

Reden 1: tijdelijkheid

De gascrisis van 2022 werd veroorzaakt door het vrijwel volledig en blijvend wegvallen van 144 miljard kuub Russisch pijpleidinggas. Nu gaat het om uitval van LNG‑productie en transport, in een gebied waar de jaarlijkse productie zo’n 110 miljard kuub is. En het is waarschijnlijk van tijdelijke aard, naar verwachting weken, al is de exacte duur uiteraard onzeker. Wat wel helder is: zodra de raffinaderijen en scheepvaart hun werk hervatten, keert de aanvoer geleidelijk terug. Het risico op blijvende fysieke tekorten is daardoor veel kleiner dan destijds.

Reden 2: meer gasaanbod

In 2022 was de mondiale LNG‑markt – het alternatief voor Russisch gas- krap. Europa moest tegen elke prijs concurreren met Azië om spotladingen binnen te halen en had beperkte transport- en opslagcapaciteit. Sindsdien is de jaarlijkse LNG productie en infrastructuur sterk toegenomen. De Verenigde Staten bouwen van 2025 tot en met 2027 zo’n 93 miljard kuub aan capaciteit bij. In Qatar zal – met vertraging – ook nog 42 miljard kuub bij worden gebouwd. Daarmee is de verloren productie op een veel kortere termijn dan in 2022 weer ingehaald.

Reden 3: meer gasvoorraad elders

In 2022 kwam Europa met bijna lege voorraden uit de winter. Ook nu waren de gasvoorraden behoorlijk leeg, maar inmiddels zijn de gasopslagen in EU‑landen beter gevuld dan vier jaar geleden, met dank aan het milde weer. Onze eigen voorraden zijn weliswaar leeg, maar hogere buffers in andere landen verminderen de concurrentie. En daarnaast zijn de opslagdoelen flexibeler – landen kunnen langer wachten met het weer aanvullen van de voorraden.

Reden 4: minder pech

In 2022 gold voor Europa ‘Murphy’s law’. Naast het wegvallen van Russisch gas kampte Europa met historisch lage waterkrachtproductie en een groot deel van de Franse kerncentrales die door corrosieproblemen stillagen. De elektriciteitssector moest daardoor méér gas verstoken, precies op het moment dat gas schaars werd. Nu draaien kerncentrales en waterkracht normaal.

Reden 5: samen inkopen

In 2022 kocht Europa ongecoördineerd en in paniek gas in. Lidstaten concurreerden tegen elkaar in de spotmarkt in een poging om zo snel mogelijk hun voorraden te vullen. Dat gaat nu anders. Met gezamenlijke inkoop en flexibele opslagdoelen is er minder druk tegen elkaar op te bieden. De kans op een extreme prijspiek zoals in de zomer van 2022 is daarom veel kleiner.

Reden 6: veel meer hernieuwbare energie

Europa heeft stevig ingezet op zon en windenergie, de toename van de capaciteit is naar schatting ruim 70% vergeleken met 2021. Vooral in Portugal, Spanje en Italië nam de energie-import sterk af in de afgelopen vijf jaar. In Nederland wekten we in 2025 twee keer meer elektriciteit hernieuwbaar op dan in 2021. Omdat elektriciteit vaak wordt opgewekt met gas, vermindert dit het gasverbruik in Europa. Ook de invloed van gas op de elektriciteitsprijzen is daardoor minder sterk, een effect dat vooral zichtbaar is in Spanje .

Reden 7: minder gasgebruik

De Europese gasvraag ligt ongeveer 16%onder het niveau van vóór de invasie van Oekraïne. In Nederland was de gasvraag vorig jaar zelfs 25% lager dan in 2021. Dat komt niet alleen door hernieuwbare energie, maar ook door energiebesparing van huishoudens en de industrie. Tot slot speelt hierin ook het wegvallen van delen van de energie-intensieve productie, zoals metaal en bouwmaterialen een rol. Vooral in de chemie vielen klappen, zeker in Duitsland, waar de sector relatief groot is en de volumes vorig jaar ruim 20% lager waren dan in 2021, maar ook Nederland, Italië en België werden flink geraakt. In Frankrijk, Italië en Spanje was de invloed – met dank aan hernieuwbare en nucleaire energie – kleiner.

Het verlies in de energie intensieve sectoren is economisch pijnlijk. Maar het laat ook zien dat een economie zich aanpast, bijvoorbeeld doordat bedrijven de meest energie-intensieve componenten zijn gaan importeren. De import afhankelijkheden worden hierdoor gespreid, minder gas, meer energie-intensieve producten. Daarmee zijn bedrijven minder kwetsbaar voor een specifieke leverancier. Dat zorgt ervoor dat de economie langzaam maar zeker aan weerbaarheid wint.

De oorlog rond de Perzische Golf toont aan dat de urgentie van een weerbaarder economie nog steeds zeer groot is. Vier elementen zijn cruciaal voor een structurele aanpak: meer hernieuwbare energie, meer energiebesparing, een relatieve verplaatsing van de industrie binnen Europa en diversificatie van de import. Er is, door een mengeling van bewuste keuzes en gunstigere omstandigheden geen reden tot paniek. Wel alle reden om – liefst in een steviger tempo - door te gaan op de ingeslagen weg.